De warmtepomp benut de laagwaardige warmte die in overvloed
aanwezig is in de natuur: in de lucht, het water of de grond. De
warmtepomp (en vandaar ook die naam) pompt de natuurlijke warmte op van
een laag temperatuursniveau naar een hoger temperatuursniveau waarbij ze
voor verwarmingsdoeleinden kan gebruikt worden. Wij kunnen dit systeem ook toepassen in combinatie met een regenwater opvangsysteem.
Van theorie naar praktijk De warmtepomptechnologie
die wereldwijd het meest toegepast wordt, is gebaseerd op een kringloopproces
met een elektrisch aangedreven compressor als eigenlijke «pomp».
De gesloten kringloop bevat een koelmiddel als werkvloeistof en
bestaat uit:
• een verdamper: hier wordt de warmte uit de
natuur opgenomen waarbij de koelvloeistof overgaat van vloeibare naar
gasvormige toestand; • een compressor: zuigt de verdampte
koelvloeistof op lage druk en lage temperatuur aan en perst deze samen
tot hoge druk en hoge temperatuur; • een condensor: hier
wordt de warmte afgegeven aan het verwarmingssysteem waarbij de
koelvloeistof opnieuw vloeibaar wordt; • een expansieventiel verlaagt
de druk van de koelvloeistof van condensatiedruk tot verdampingsdruk
waarna de cyclus opnieuw begint.
De warmtepomptechnologie is
er de laatste twee decennia aanzienlijk op vooruitgegaan: betere
compressoren (scrolltype), betere warmtewisselaars
(platenwarmtewisselaars), betere elektronische regelingen, betere pompen
en ventilatoren. De thans gebruikte koelmiddelen zijn bovendien CFK-vrij
(er werden tevens specifieke koelmiddelen ontwikkeld om deze van oudere
installaties te vervangen). Dit alles maakt dat de COP van de
huidige warmtepompen beduidend hoger ligt dan deze van vergelijkbare
types uit het verleden.
De natuurlijke warmtebron De keuze hiervan
is bepalend voor het type warmtepomp dat zal moeten gebruikt worden en
voor de globale COP die uiteindelijk zal verwezenlijkt worden.
Gans vrij is men niet bij de keuze van de warmtebron aangezien men met
de plaatselijke natuurlijke omgeving van de woning zal moeten rekening
houden.
Water
Indien voldoende ondergronds water
aanwezig is en van voldoende kwaliteit (en indien het mag opgepompt
worden) kan deze warmtebron tot de beste resultaten leiden. Het
ondergrondse water bevindt zich namelijk het ganse jaar door op een
nagenoeg constante temperatuur van +10°C. Het water wordt opgepompt
(liefst van een niet te grote diepte om de pompenergie te beperken),
wordt over de verdamper geleid en daarna opnieuw in de grond gebracht.
Aan condensorzijde wordt de warmte afgegeven aan een verwarmingskring
met warm water, meestal een lage temperatuursvloerverwarming (met
een aanvoertemperatuur van maximum 35 °C): men spreekt dan van een water-waterwarmtepomp.
SPF’s van meer dan 4 zijn hiermee perfect realiseerbaar. Dit
warmtepompsysteem is geschikt voor de toepassing van natural cooling.
Het glycolwater of het opgepompte grondwater wordt niet langs de
compressor geleid maar, onttrekt de warmte aan het water van het
warmteafgiftesysteem (hier gebruikt als koelsysteem). Het
energieverbruik beperkt zich tot het verbruik van de circulatiepomp.
Grond
Om
de warmte te kunnen benutten die door de zon in de grond en de
ondergrond rondom de woning opgeslagen werd, maakt men gebruik van grondwarmtewisselaars.
Deze worden meestal uitgevoerd onder de vorm van horizontale of
verticale kunststofbuizen waarin een mengsel van water + glycol (om
ook onder 0°C te kunnen werken) circuleert. Enkele constructeurs
laten rechtstreeks het koelmiddel in de warmtewisselaar (in
dit geval, in koper) circuleren; deze laatste vervult dan de functie
van verdamper. Bij horizontale grondwarmtewisselaars
worden de buizen best tussen 1 m en 2 m diepte gelegd, bij voorkeur
onder een grasperk. De benodigde oppervlakte bedraagt 1 tot 2,5 maal de
oppervlakte van het verwarmde deel van de woning, afhankelijk van de
grondsamenstelling en de thermische eigenschappen van de woning. Indien
de beschikbare grondoppervlakte ontoereikend is, kunnen verticale
sondes geplaatst worden. Deze kunnen diepten bereiken van 10 m tot
100 m. Bij beide systemen zal naarmate het stookseizoen vordert, de
grond rondom de buizen meer en meer bevriezen. Bij horizontale sondes
gebeurt de regeneratie spontaan op het einde van het stookseizoen
dankzij zonnewarmte (en ook regen) die in de grond dringen. Verticale
sondes zitten hiervoor te diep en doen hiervoor beroep op
warmteaanvoer via ondergrondse waterstromingen. Voor een correcte
dimensionering van verticale sondes is daarom ook een grondige kennis
van de ondergrond vereist. Grondwarmtepompen worden meestal
gekoppeld met vloerverwarmingssystemen. De realiseerbare SPF is
iets lager dan voor water-waterwarmtepomp (omwille van de iets lagere
verdampingstemperatuur) en situeert zich rond 3,5. Dit warmtepompsysteem
is ook geschikt voor de toepassing van natural cooling. Het
bevordert de regeneratie van de bodem.
Lucht
De
ons omringende buitenlucht als warmtebron heeft als voordeel dat
ze overal aanwezig is en geen extra kosten met zich meebrengt
zoals dit het geval is voor de water-waterwarmtepomp (putboringen) of
de grond-waterwarmtepomp (plaatsing van de sondes). Daartegenover staat dat
de buitentemperatuur sterk varieert over het stookseizoen (
gemiddeld in België van – 10°C tot + 15°C) en dat de warmtepomp juist
het slechtst zal presteren bij de laagste buitentemperatuur, dus
wanneer de meeste warmte vereist wordt. Bovendien zal de verdamper van
een luchtwarmtepomp vooral bij buitentemperaturen tussen 0°C
en + 5°C tgv. van de luchtvochtigheid geleidelijk aanvriezen. De
verdamper moet dan ook periodiek ontdooid worden. Dit gebeurt
meestal door cyclusomkering: de verdamper wordt tijdelijk
condensor en de condensor wordt tijdelijk verdamper. Bij de
lucht-waterwarmtepomp wordt meestal een buffervat voorzien om de
nodige warmte te kunnen leveren tijdens het ontdooien. Bij de
lucht-luchtwarmtepomp worden hulpweerstanden voorzien in het
luchtkanalennetwerk waarmee dit type warmtepomp haar warmte doorheen
de woning verspreid. Met warmtepompen op buitenlucht als warmtebron
kunnen SPF’s van 2,5 tot meer dan 3 gehaald worden. Door het omkeren
van de cyclus in de zomer kan deze warmtepomp ook koelen. De
toepassing van actieve koeling kan in het kader van het duurzaam
gebruik van energie echter niet worden aanbevolen.
Extractielucht
Een
bijzonder interessante warmtebron is de afvoerlucht van
ventilatiesystemen voor woningen. Deze lucht die meestal onttrokken
wordt uit sanitaire ruimten en keuken bevindt zich voortdurend op 18 à
20°C maar heeft een beperkte warmteinhoud omwille van het toegepaste
debiet, meestal ongeveer 200 à 300 m3/h. Twee types warmtepomp maken
van deze warmtebron gebruik, namelijk de tapwaterwarmtepomp of warmtepompboiler
en de ventilatiewarmtepomp. Warmtepompboilers zijn
meestal uitgerust met een voorraadvat van 200 tot 300 l en
voorzien het ganse jaar door in de totale warmwaterbehoefte van
een gezin. De winstfactoren gaan van 2,5 tot 3,5 in functie van de
tapwatertemperatuur en het aftapprofiel. In een ventilatiewarmtepomp
wordt de verse aanvoerlucht voorverwarmd door de afgevoerde
ventilatielucht. SPF’s van 3,5 tot 4 zijn courant. De belangrijkste
toepassingen zijn woningen met een lage energievraag zoals passiefhuizen.
|